Interview Rich Lasner: de man achter de gitaren van Ibanez, Yamaha, Vox, Modulus en Peavey

26 september 2026
UpsizingGear_Interview Rich Lasner

Van Ibanez JEM tot de Yamaha Pacifica en Peavey 5150 combo

Ken je dat? Je spreekt met een legende uit de gitaarwereld en bereidt dat natuurlijk goed voor. Tig vragen netjes op papier gezet om ze vervolgens een voor een af te werken en zo een keurig chronologisch interview samen te stellen. Al bij de intro ging het mis.

Rich Lasner is een uitermate sympathieke en welbespraakte heer die de gitaarwereld mede heeft gevormd tot wat die nu is. Voor niet de minste merken als Ibanez, Peavey, Yamaha en Vox heeft hij gitaren, versterkers en bassen ontworpen. Als absolute gearheads doken we natuurlijk meteen diep de krochten van de gitaarwereld in. Alle vragen konden dus al snel overboord.

Met hashtags als Eddie Van Halen, Steve Vai en James Brown, de man achter de 5150, gaan de oren wel even klapperen. Hieronder het resultaat van een gesprek van ruim anderhalf uur. Enjoy, Rich Lasner!

De gitaarwereld is veranderd

Rich, waar ben je tegenwoordig mee bezig?

“Ik help vooral bedrijven en ontwerpers. Mijn grootste vaardigheid is altijd geweest om binnen een bedrijf te kijken naar de structuur en te begrijpen wat de sterke en zwakke punten zijn. Vervolgens probeer ik met de mensen en middelen die ze al hebben het bedrijf naar de plek te brengen waarvan ik denk dat het kan komen. Dat heb ik gedaan bij Yamaha, Ibanez, Modulus, Vox, Peavey en andere bedrijven.”

Volgens Lasner is de gitaarindustrie de afgelopen jaren behoorlijk veranderd. De coronaperiode zorgde voor een enorme toestroom van nieuwe gitaristen. “Iedereen die ooit had gedacht dat hij gitaar wilde leren spelen, kocht er tijdens corona een. Ook mannen van in de veertig die thuis zaten en dachten: ik heb altijd al gitaar willen leren spelen. Het probleem is alleen dat gitaar leren spelen behoorlijk moeilijk is.”

Zeker voor volwassenen is de leercurve volgens hem een probleem. “Je moet een compleet nieuwe vaardigheid leren en je bent daar in het begin waarschijnlijk niet erg goed in. Volwassenen hebben bovendien vaak een korte aandachtsspanne als iets te moeilijk wordt.”

Tegelijkertijd is het volgens Lasner voor beginnende gitaristen nog nooit zo’n goed moment geweest om een instrument te kopen. “De markt is geweldig. De kwaliteit van wat er uit Indonesië komt, en in mindere mate uit China, is enorm gestegen. Je kunt tegenwoordig voor een paar honderd dollar een gitaar kopen waarvan je tien jaar geleden met je ogen dicht zou hebben gezegd dat hij in Korea of misschien zelfs Amerika gemaakt was.”

Indonesië heeft de kwaliteitsslag gemaakt

Lasner kent de Indonesische productie goed en noemt Cort en Core-Tek als belangrijke voorbeelden. “Vroeger kwamen mensen in Indonesië en gingen ze weer weg. De kwaliteit van fabrieken kon alle kanten op en je wist eigenlijk niet goed wat je kreeg. Cort heeft geleerd hoe je dat moet organiseren, industrialiseren en mensen moet trainen. Ze hebben inmiddels mensen die daar al meer dan tien jaar werken. Dat zag je vroeger niet.”

Daar komt de schaalgrootte nog bij. “Ze maken zulke enorme aantallen. Daardoor is de ‘economies of scale’ veel beter geworden dan twaalf jaar geleden. Het gaat om de kwaliteit van alles. Japan heeft dat in de jaren zeventig, tachtig en negentig uitgevonden. Indonesië heeft dat stokje nu overgenomen. Ze hebben het gewoon helemaal uitgedokterd.”

Heb je zelf nooit gedacht: ik begin gewoon Lasner Guitars?

“Dat heb ik meerdere keren overwogen. Mijn zoon, die ook gitaren ontwerpt en in de gitaarindustrie werkt, wilde op een gegeven moment met me samenwerken. We hebben zelfs een paar prototypes laten maken. Maar ik werkte toen nog fulltime voor Vox, dus ik kon dat niet doen. Ik kon niet met ze concurreren terwijl ik voor ze werkte.”

Maar er was nog een belangrijkere reden. “Ik keek naar het landschap en realiseerde me dat mijn grootste vaardigheid altijd is geweest om een bedrijf binnen te stappen en te begrijpen waar de sterke en zwakke punten liggen. Vervolgens kun je met de mensen en middelen die er al zijn proberen het bedrijf verder te brengen. Als je dat alleen met jezelf moet doen, wordt het een heel ander verhaal.”

De AC15, AC30 en de veranderende wereld van versterkers

Je hebt ook bij Vox gewerkt. De gitaren die jullie daar maakten waren erg goed, maar Vox lijkt zich tegenwoordig toch weer meer op versterkers en techniek te richten.

“Ja. De versterkers zijn natuurlijk nog altijd belangrijk. De handwired AC15 met Blue Alnico speaker is bijvoorbeeld bijna een standaard geworden hier in de VS. Als ik een studio binnenloop en naar iemands rig kijk, staat die versterker er heel vaak. Het is een soort sweet spot voor heel veel mensen, ongeacht het soort muziek dat ze spelen. John Scofield gebruikt bijvoorbeeld bij veel optredens een AC30.”

De manier waarop gitaristen hun versterkers tegenwoordig gebruiken, is volgens hem sowieso compleet veranderd. “Ik ben oud genoeg om Cream of Mountain te hebben gezien met alleen maar een enorme muur van Marshall-versterkers of Sunn-stacks achter zich. Tegenwoordig zie je soms op het podium iets dat eruitziet als een backline rig, terwijl het niet eens aangesloten is. Op de vloer staat een doos met al hun sounds. Ze nemen die mee, zetten hem neer en sturen hem rechtstreeks naar de front of house.”

Te veel ideeën op één gitaar

Toch blijven gitaren zelf opvallend veel op gitaren lijken. Iedere NAMM Show staat er volgens Lasner wel iemand met een soort Zwitsers zakmes in gitaarvorm.

“Dat is het interessante. Gitaren zijn in essentie nog steeds gitaren. Iedere NAMM staat er wel iemand met een gitaar met tien ongelooflijke ideeën erop die waarschijnlijk nooit allemaal tegelijk nodig waren. Het is nooit meer een goede gitaar met één echt interessant nieuw idee. Het is een redelijke gitaar met tien dingen erop die misschien te groot zijn om allemaal tegelijk te bevatten.”

Een merk dat volgens hem juist goed heeft begrepen hoe je bestaande ideeën opnieuw kunt gebruiken, is Strandberg.

“”Ola Strandberg nam bestaande ideeën en combineerde die opnieuw tot echt bruikbare instrumenten die voor sommige gitaristen beter werken dan traditionelere gitaren.” Headless gitaren, multiscale en dat soort dingen. Maar hij heeft het goed gedaan. Als je een Strandberg oppakt, is het gewoon een gitaar. Alles wat je verwacht werkt zoals het hoort, maar sommige dingen zijn beter. De ergonomie klopt bijvoorbeeld. Hij zit goed, ongeacht op welke knie je hem legt en de speelpositie werkt voor bijna iedereen.”

De Maxxas: zijn favoriete Ibanez

Als je terugkijkt op alle gitaren die je hebt ontworpen, is er dan één die eruit springt?

“Waarschijnlijk ga je mijn antwoord heel vreemd vinden. Het is de allereerste gitaar die ik bij Ibanez ontwierp: de Maxxas.”

De Maxxas? Die opvallende gitaar die inderdaad een beetje op een ruimteschip lijkt?

“Ja. Er zitten een paar dingen aan die je aan de buitenkant niet ziet. De originele versie is semi-hollow, net als een Gibson ES-335, maar hij is gemaakt als een soort schelp. De bovenkant en achterkant werden als twee delen op elkaar gezet. Dat was voor FujiGen ontzettend moeilijk, want er waren toen nog geen drie-assige CNC-machines. Ze moesten uitzoeken hoe ze dat allemaal met de hand konden maken.”

Lasner wilde met de Maxxas een aantal eigenschappen van verschillende gitaren combineren. “Ik wilde een kleinere body, ongeveer zoals een Strat, die qua geluid en gevoel meer richting een 335 ging. En als je naar de neck joint kijkt, zie je de allereerste extended cutaway neck joint die volgens mij ooit op een solidbody gitaar is gebruikt. Ibanez heeft dat later op veel andere modellen toegepast. Ik heb het ook op de Yamaha Pacifica gebruikt, omdat het me altijd stoorde wanneer ik een Strat oppakte.”

Waarom?

“Als je helemaal bovenaan de hals komt, zit daar die grote blok hout van de neck joint. Dat is eigenlijk helemaal niet nodig.”

De Maxxas was voor die tijd behoorlijk radicaal. Zo radicaal zelfs dat Ibanez er aanvankelijk een beetje bang voor was.

“Ze vonden hem zo ongebruikelijk dat ze me een andere naam op de headstock lieten zetten. Er stond iets als ‘a division of Ibanez’ op. Ze waren blijkbaar bang dat mensen niet zouden begrijpen wat het was.”

De productie bleek overigens nog een behoorlijke uitdaging. De eerste uitvoering was een solidbody met Floyd Rose, omdat FujiGen de semi-hollow constructie nog niet goed kon maken. Uiteindelijk lukte dat wel. “Sommige van die gitaren wegen maar zes pond. We hebben de binnenkant echt helemaal uitgewerkt om het gewicht en de resonantie goed te krijgen.”

De inspiratie kwam rechtstreeks van Lasners eigen Gibson ES-335. “Toen ik bij Ibanez kwam, speelde ik op een ’59 ES-335. Ik vond die gitaar ongelooflijk innovatief. Tegen de tijd dat ik erop speelde, was hij zo gewoon geworden dat niemand er meer bij stilstond dat zo’n instrument in 1957 helemaal niet bestond.”

“Het was een grote jazzgitaar waarmee je zo hard kon spelen als je wilde. Kijk maar naar Eric Clapton met Cream. Dat vond ik geweldig. Ik wilde dat soort innovatie ook. Een gitaar die je oppakt en waarvan je eerst denkt: het is gewoon een gitaar. Maar als je ermee gaat leven, ontdek je dat er iets revolutionairs aan zit.”

Van de Maxxas naar de JEM

De Maxxas is tegenwoordig een behoorlijk gewild verzamelobject. Lasner kan daar wel om lachen. “Ze zijn zeldzaam en ze gaan in Amerika voor goed geld weg. Er is echt een cult following voor ontstaan.”

Maar zijn bekendste Ibanez-ontwerp is natuurlijk de JEM van Steve Vai.

“Daar moet ik wel iets bij zeggen. Alles wat ik bij een groot gitaarbedrijf heb gedaan, was teamwork. Het was nooit alleen mijn gitaar. Bij de JEM werkten Bill Reim, Mace Bailey, Fritz Kato, Bill Cummiskey en ik samen. Steve Vai speelde natuurlijk een enorme rol.”

Vai stuurde het team een flinke hoeveelheid input. “Hij stuurde ons een half dozijn gitaren met briefjes erop. Op de ene stond welke halsvorm hij wilde, op de andere hoe de cutaway moest zijn, weer een andere ging over de halshoek. We hadden uiteindelijk een halve kamer vol gitaren en briefjes en dachten: mijn god, we moeten hier één gitaar van maken.”

De JEM kwam bovendien op een interessant moment voor Ibanez. “Toen ik in 1984 bij Ibanez kwam, verkochten ze eigenlijk helemaal geen gitaren.”

Dat veranderde snel. Lasner zag dat Ibanez een gezicht nodig had. “Als je kijkt naar Fender, heb je Leo Fender en Jimmy Hendrix. Gibson had Les Paul en Orville Gibson. Jackson had Grover Jackson. Ibanez had niemand die het merk een gezicht gaf.”

Dus werd het merk gekoppeld aan de gitaristen die erop speelden. “Paul Gilbert, Vinnie Moore, Steve Vai en al die andere gitaristen kwamen bij ons terecht. We besloten dat we Ibanez op die manier moesten personifiëren.”

Dat gebeurde niet alleen met gitaren, maar ook met de marketing. “Iedere maand maakten we een gekke advertentie met een nieuwe, veelbelovende gitarist. Frank Gambale bijvoorbeeld. We hielpen hun muziek promoten en zetten erbij: ga het nieuwste album van Frank halen. Mensen hoorden die plaat en dachten: ‘Mijn god, dat is een Ibanez.’ Zo deden we dat.”

Een gitaar ontwerpen met Steve Vai

De JEM is inmiddels uitgegroeid tot een icoon, maar hoe voelt het om jaren later zo’n gitaar in een winkel tegen te komen?

“Het zijn mijn kinderen. Of eigenlijk mijn kleinkinderen. Ik ga graag naar gitaarwinkels waar niemand weet wie ik ben en vraag dan gewoon om een JEM of een Pia te zien.”

Vooral de vroege exemplaren zijn inmiddels bijna onbetaalbaar geworden.

“Een vroege groene JEM met een nummer erop die door Steve is gesigneerd, kun je bijna niet meer betalen. Dat zijn echte collectors items. Mensen spelen er niet meer op. Ze verhandelen ze alleen maar. Ik vind dat eigenlijk jammer, want ze zijn ontworpen om op te spelen.”

Lasner heeft sowieso weinig met gitaren als beleggingsobject.

“Ik hou daar echt niet van. Ik hou ervan als mensen hun gitaren meenemen op tour en erop spelen. Joe Bonamassa heeft bijvoorbeeld een enorme collectie, maar hij neemt die gitaren mee en gebruikt ze. Hij houdt er echt van als instrument.”

Volgens Lasner verdwijnen er ondertussen steeds meer gitaren in privécollecties. “Er zijn mensen in Amerika die enorme collecties elektrische gitaren hebben. Ze kopen complete collecties op bij veilingen en vervolgens zie je die gitaren nooit meer. Dat vind ik jammer.”

Een officieel Ibanez-museum zou daarom volgens hem helemaal geen gek idee zijn. “Dat zou geweldig zijn. Een plek waar duizend Ibanez-gitaren staan. Absoluut.”

De Yamaha Pacifica begon als een test

De Yamaha Pacifica is misschien wel een van Lasners meest invloedrijke ontwerpen. Opvallend genoeg was het ontwerp een test of de communicatie tussen twee verschillende computersystemen werkte.

“Het ontwerp van de Pacifica komt van mijn hand. Yamaha werkte in Japan met IBM-mainframes en er was nogal wat twijfel of mijn tekeningen vanuit een Macintosh wel goed zouden worden vertaald. Dus ik tekende de eerste Pacifica’s volledig met de hand.”

Vervolgens werden de tekeningen punt voor punt in de computer gezet.

“Het was eigenlijk helemaal niet de bedoeling dat het een productiegitaar zou worden. Het was een test om te kijken of we met elkaar konden communiceren. Ze zeiden: teken jouw idee van een Strat, maar dan precies zoals jij hem zou maken.”

Dat bleek behoorlijk goed uit te pakken. De eerste Pacifica’s waren bovendien helemaal niet bedoeld als goedkope beginnersgitaren.

“Toen ik ze ontwierp, waren er drie of vier verschillende niveaus. De topversie was een neck-through met een carved top en Floyd Rose, meer in de richting van een Jackson. Heel mooi gemaakt.”

Pas nadat de serie succesvol bleek, kwamen de goedkopere modellen.

“Dealers over de hele wereld zeiden tegen Yamaha: als jullie een goedkope starterversie van deze gitaar kunnen maken, kunnen we er enorm veel van verkopen tegen Squier en Fender. Dat hebben ze vervolgens gedaan. Maar dat was achteraf. Ik had de hele lijn toen al ontworpen.”

Een bas is geen grote gitaar

Naast gitaren ontwierp Lasner ook bassen, waaronder de Yamaha Billy Sheehan Attitude en onderdelen van de TRB-serie. Is het ontwerpen van een bas heel anders?

“Ja. Je moet eigenlijk stoppen met denken aan een gitaar. Sommige ontwerpers maken de fout om een bas gewoon als een grote gitaar te zien. Maar de eisen zijn anders. Wat mensen willen horen en voelen is anders.”

Voor de Billy Sheehan Attitude had Lasner een bijzonder waardevolle referentie. “Billy gaf me zijn vroege jaren-zestig Precision Bass, die hij zijn hele carrière had gebruikt. Hij gaf hem maanden aan mij. Hij zei: we moeten wat deze bas is naar voren brengen, maar dan in een moderne verpakking.”

Dat is volgens Lasner ook de ideale situatie bij een signaturemodel. “Als het ontwerp gebaseerd is op de behoeften van een muzikant, heb je de speler en zijn instrument bij je. Dan kun je samen steeds een stap verder gaan om te bepalen wat het instrument moet zijn.”

Zijn oude gitaren eigenlijk wel beter?

Met alle moderne productietechnieken zou je misschien verwachten dat hedendaagse gitaren altijd beter zijn dan vroeger. Lasner is daar genuanceerd over.

“Alle slechte gitaren uit de jaren vijftig en zestig zijn inmiddels verdwenen. Als ze slecht waren en nooit goed zijn geweest, heeft niemand erop gespeeld. Ze zijn verdwenen of uit elkaar gehaald voor onderdelen. Daardoor denken we tegenwoordig dat iedere ’59 Sunburst Les Paul geweldig was.”

Dat was volgens hem absoluut niet zo.

“Sommige waren waardeloos. Ze speelden slecht, klonken niet goed en voelden verschrikkelijk. Andere waren ongelooflijk goed. Dat geldt eigenlijk voor alles, van een gitaar van honderd dollar tot een handgebouwd instrument van tienduizend dollar.”

Houtkwaliteit, constructie, frets, geometrie en simpelweg geluk spelen allemaal een rol. Hij haalt zijn geliefde Gibson Les Paul Juniors uit de jaren vijftig en zestig aan als voorbeeld.

“Ik heb er tientallen gehad. Ik ben opgegroeid met Leslie West en had nog nooit zoiets gehoord. Toen ik jong was, kostten ze 150 dollar. Ik kocht ze gewoon allemaal.”

Maar zelfs daar zat de nodige variatie in. “De helft had een verkeerde hals­hoek. De man die ze bij Gibson maakte, had jaren lang carved-top Les Pauls gebouwd en was vergeten dat je bij een Junior niet zo’n top hebt. Daardoor stond de hals nog steeds alsof er een top op zat en kreeg je de brug niet laag genoeg.”

Dat soort fouten zie je volgens Lasner bij moderne massaproductie veel minder. “Ibanez, ESP en andere merken maken tienduizenden goedkopere modellen en die spelen over het algemeen gewoon goed.”

Van Peavey naar Eddie Van Halen

Ook bij Peavey heeft Lasner een belangrijke periode meegemaakt. Hij werkte er van 1992 tot 1995 en hield zich onder meer bezig met de versterkers en de gitaren. En natuurlijk was daar Eddie Van Halen.

“Toen ik bij Peavey kwam, was de 5150-head er al. Tegen het einde van mijn tijd daar brachten we Eddie regelmatig binnen om de combo te voicen. Ik heb daar met hem aan gewerkt. Dat was natuurlijk ontzettend leuk.”

Ook de Wolfgang kwam voorbij. “Eddie bracht zijn Music Man Wolfgang mee. Ik werkte samen met hem en Jimmy DeCola aan de eerste Wolfgang-gitaren.”

De samenwerking met Eddie leverde bovendien bijzondere situaties op. Lasner moest hem regelmatig begeleiden tijdens zijn bezoeken aan Mississippi.

“Eddie vloog naar Mississippi en ik moest hem een beetje bezighouden. Dat was niet altijd eenvoudig. Hij kwam uit Los Angeles en we zaten in een klein plattelandsstadje in Mississippi. Hij zou daar vier dagen zijn. Er was niet heel veel te doen.”

Maar Eddie was volgens Lasner vooral ontzettend energiek.

“Hij had zoveel energie. Hij had constant input nodig. Maar hij was geweldig om mee rond te hangen. Af en toe keek ik om me heen en dacht ik: Eddie Van Halen. Ik zit gewoon met Eddie Van Halen in Mississippi.”

Eddie, James Brown en de 5150

De samenwerking rond de versterker was behoorlijk hands-on. “We stonden in een grote open loods met een combo. Eddie had een van zijn gitaren bij zich en James Brown was erbij. Eddie speelde en zei bijvoorbeeld dat het laag wat losser was dan hij wilde. Of dat de treble op een bepaalde frequentie moest reageren. Of dat de gain op het drivekanaal eerder moest beginnen.”

James Brown ging vervolgens letterlijk aan het werk.

“We gingen lunchen en James ging terug met zijn soldeerbout om dingen aan te passen. Daarna kwamen we terug en besteedden we nog een paar uur aan de versterker. Eddie kon daar uren mee doorgaan als het hem interesseerde. Hij kon de hele dag en nacht doorgaan.”

Zo werd de versterker steeds opnieuw verfijnd.

“De gitaar was eigenlijk verrassend eenvoudig, omdat Eddie de Music Man al had. Daar zat de basis al in.”

Lasner heeft overigens nog altijd een duidelijke voorkeur voor de Music Man-hals. “Music Man heeft wat mij betreft een van de beste productiehalzen die in Amerika worden gemaakt. Qua vorm en consistentie zijn ze geweldig. Als ik er een oppak, voelt het alsof het een gitaar van vijftig jaar oud is waar jarenlang op gespeeld is.”

Gitaren blijven zijn favoriete speeltje

Van gitaren, bassen en versterkers blijft de gitaar uiteindelijk zijn favoriet.

“Ik denk toch de gitaren. Ik kan bas spelen en ik ben niet slecht, maar ik ben geen Billy Sheehan of Pino Palladino. Bij een bas gebruik ik daarom veel feedback van de artiest. Op gitaar spreek ik als gitarist dezelfde taal als de mensen met wie ik werk.”

Ook bij versterkers weet hij waar zijn grenzen liggen.

“Ik kan prima overweg met een soldeerbout, maar ik ben niet iemand die zegt: ‘Je hebt hier de verkeerde weerstand.’ Daarvoor vertrouw ik op mensen als James Brown. Ik denk dat het ontwerpen van gitaren uiteindelijk de grootste bron van plezier voor me is geweest.”

Wat staat er nog op de bucketlist?

Lasner is inmiddels met ‘pensioen’, maar het woord ‘retirement’ lijkt niet helemaal bij hem te passen. Wat wil hij nog doen?

“Ik wil iemand of een bedrijf vinden waarvan ik denk dat ik het echt kan helpen om de volgende stap te zetten. Zoals ik dat met Ibanez, de Pacifica’s, Modulus en Peavey heb gedaan.”

“Ik ben overal waar ik kom een probleemoplosser. Ik krijg er ontzettend veel plezier van om goede mensen te vinden die geweldige instrumenten willen maken, maar ergens vastlopen. Wat is de volgende visie? Wat moeten ze doen om zich echt te onderscheiden en ervoor te zorgen dat mensen begrijpen wat ze proberen te maken?”

Dat lijkt uiteindelijk de rode draad in de carrière van Rich Lasner. Niet per se zelf de naam op de headstock willen hebben, maar zorgen dat het instrument klopt.

Zijn eigen collectie vertelt eigenlijk hetzelfde verhaal. “Ik heb op dit moment misschien een stuk of twaalf gitaren. Op een oude Guild 12-snarige en de Gibson J45 van mijn zoon uit de vroege jaren vijftig na, zijn het eigenlijk allemaal prototypes van de verschillende bedrijven waar ik heb gewerkt.”

Hij verzamelde vroeger wel oude gitaren, maar dat is voorbij.

“Ik heb oude gitaren verzameld toen ze gewoon oud waren en nog geen vintage gitaren. Daar ben ik volledig op uitgekeken. Ik hou nog steeds van een oude Junior, maar ik hoef niet meer op zoek naar een heleboel vintage gitaren.”

Als afsluiting wil ik jullie nog meegeven dat Rich een enorme, en dan bedoelen we ook echt ENORME collectie gitaren en gitaargear had. Vrijwel alles heeft hij gedoneerd aan een goed doel, zonder daar ook maar iets voor terug te hoeven.
Dat zegt eigenlijk genoeg over Rich. Een mooiere bestemming hadden die gitaren zich waarschijnlijk niet kunnen wensen.