Een concert begint doorgaans met goede bedoelingen. De gitaren zijn gestemd, de pedalboards aangesloten, de setlist ligt klaar en tijdens de soundcheck heeft iedereen minstens één keer gezegd dat het allemaal prima klinkt. Daarna gaat het licht uit en begint het echte werk. Want hoe goed een optreden ook is voorbereid, er blijft altijd één factor waar je als band maar beperkt invloed op hebt: jezelf.
Iedere muzikant die lang genoeg op een podium staat, heeft daarom wel een verzameling verhalen over dingen die tijdens een optreden nét iets anders gingen dan gepland. Soms is het een snaar die breekt, soms een technisch probleem en soms ben je zelf simpelweg het probleem.
Reservegitaar? Welke reservegitaar?
Neem bijvoorbeeld een snaarbreuk. Vervelend, maar voor een gitarist geen drama. Je zet je gitaar opzij, pakt de reserve en speelt verder. Tenminste, dat is het plan. Tot je op een avond met twee gitaren op het podium staat en op allebei een snaar breekt. Dan wordt het ineens een logistiek probleem van formaat. Je hebt tenslotte heel verstandig een reservegitaar meegenomen, maar kennelijk niet verstandig genoeg.
Het is een van die momenten waarop je begrijpt waarom grote bands zoveel gitaren meeslepen. Voor een publiek lijkt het misschien wat overdreven dat een gitarist voor ieder nummer een andere gitaar heeft klaarstaan, maar daar zit een simpele gedachte achter: een reserve is alleen een reserve zolang de reserve het doet.
En soms zit het probleem niet eens in de gitaar. Wie ooit met lang haar op een podium heeft gestaan, weet dat ook je kapsel een onverwachte technische storing kan veroorzaken. Haar kan achter een onderdeel van de gitaar blijven hangen en ineens merk je dat je hoofd niet meer helemaal onafhankelijk van je instrument kan bewegen. Je trekt naar achteren, de gitaar trekt terug en voor je het weet ben je midden in een nummer verwikkeld in een gevecht met je eigen kapsel. Het publiek ziet vooral een gitarist die nogal enthousiast met zijn hoofd beweegt; jij probeert ondertussen uit te zoeken hoe je jezelf weer los krijgt.
De Marshall is sterker dan jij
Dan is er de combinatie van alcohol en een podium. Dat kan uitstekend samengaan, totdat je inschattingsvermogen het een beetje laat afweten. Een podium staat tenslotte vol met obstakels die je normaal gesproken probleemloos ontwijkt: monitoren, kabels, microfoonstatieven en natuurlijk de volledige backline.
Een paar drankjes verder kan zo’n Marshall-stack ineens op een heel andere plek staan dan je dacht. Een ongelukkige beweging en je gaat achterover, recht tegen je versterker aan. Het meest bijzondere moment komt vervolgens wanneer je de top van de Marshall-stack ziet loskomen en als een soort stuiterbal op het cabinet terecht ziet komen. Op dat moment ben je als gitarist niet meer bezig met de vraag of je volgende akkoord goed klinkt. Je vraagt je vooral af of je versterker zojuist zijn laatste optreden heeft gehad.
Het mooie is dat dit soort incidenten achteraf vaak veel grappiger worden gevonden dan op het moment zelf.
Waarom staat ineens de hele zaal in het licht?
Soms hoef je niet eens te vallen om een complete productie in de war te schoppen. Je kunt ook gewoon proberen niet om te vallen.
Tijdens een optreden ooit behoorlijk stoned op het podium staan en merken dat rechtop blijven ineens een uitdaging wordt, is op zichzelf al niet ideaal. Vervolgens zoek je steun en kom je met je rug tegen een knop van de lichtinstallatie terecht. De gevolgen worden pas duidelijk wanneer de hele zaal ineens volledig verlicht is.
Niet voor een paar seconden, maar minutenlang.
De band speelt ondertussen gewoon door, terwijl iedereen zich afvraagt waarom de lichttechnicus kennelijk heeft besloten de sfeer van de donkere rockclub te vervangen door die van een schoolmusical. Pas na ongeveer vijf minuten wordt duidelijk dat de oorzaak niet achter de lichttafel zit, maar gewoon op het podium staat en daar probeert overeind te blijven.
Dat zijn overigens precies de momenten waarop een band leert dat niet iedere technische storing technisch is.
“We spelen tegenwoordig in B”
Een andere klassieker is het vergeten van informatie. Vooral wanneer je met gastmuzikanten werkt.
Een gastzangeres meenemen voor een nummer is natuurlijk een goed idee. Je spreekt af welk nummer jullie doen, zij kent het nummer en iedereen is klaar voor een mooie extra dimensie aan de show. Alleen vergeet je één klein detail te melden: de band speelt het nummer inmiddels in B in plaats van E.
Dat verschil wordt meestal nogal snel duidelijk.
De gastzangeres begint vanuit de toonsoort die ze kent, terwijl de gitaristen inmiddels vrolijk in een andere wereld zitten. Het is een van die situaties waarin je tijdens het spelen vooral probeert te kijken alsof dit allemaal onderdeel van de uitvoering is. Muzikanten zijn daar overigens verrassend goed in. Als er iets misgaat, kijkt iedereen zo serieus mogelijk en hoopt men dat het publiek denkt dat het expres gebeurt.
Het publiek als roadcrew
Bij kleine rockshows kan ook het publiek voor onverwachte problemen zorgen. Een enthousiaste bezoeker die het podium op komt, is meestal nog wel te handelen. Maar wanneer meerdere mensen besluiten dat het podium eigenlijk gewoon een verlengstuk van de zaal is, kan het snel veranderen in een soort openbare backstage.
En daar ligt van alles.
Kabels, drumstokken, microfoonstatieven, plectrums en andere spullen die voor een muzikant misschien gewoon gereedschap zijn, kunnen voor een bezoeker ineens een interessant souvenir worden. Er zijn optredens geweest waarbij mensen niet alleen het podium op kwamen, maar vervolgens ook doodleuk spullen meenamen.
Voor de band is dat minder gezellig. Een drumstok is misschien geen fortuin waard, maar als je drummer er drie minuten later geen meer heeft, is het ineens behoorlijk relevant. Hetzelfde geldt voor kabels. Een publiek dat enthousiast een XLR-kabel als souvenir meeneemt, heeft waarschijnlijk niet door dat die kabel de volgende avond gewoon weer nodig is.
De show must go on, maar wel graag een beetje voorbereid
Het aardige aan dit soort verhalen is dat ze laten zien hoe anders live spelen is dan muziek opnemen in een studio. In een studio kun je stoppen wanneer er iets misgaat. Je kunt een snaar vervangen, een verkeerde partij opnieuw inspelen en desnoods de hele opname opnieuw beginnen.
Op een podium heb je die luxe niet. Je staat midden in het nummer, honderden mensen kijken naar je en ondertussen moet je een oplossing verzinnen. Daarom zijn reservegitaren, extra kabels, batterijen, snaren en een goede crew geen overbodige luxe. Maar zelfs de beste voorbereiding kan niet voorkomen dat iemand met zijn haar aan zijn gitaar blijft hangen of achterover tegen een Marshall-stack valt.
Misschien is dat ook precies waarom liveoptredens zo leuk blijven. De perfecte show is natuurlijk mooi, maar het zijn vaak de avonden waarop alles nét verkeerd loopt die uiteindelijk de beste verhalen opleveren. De twee gitaren waarop allebei een snaar brak, de Marshall-top die door de lucht ging, de zaal die vijf minuten lang volledig verlicht was of de gastzangeres die pas op het podium ontdekte dat de band een paar tonen lager speelde.
Dat zijn geen fouten die je achteraf uit de opname kunt knippen. Ze zijn gebeurd en iedereen die erbij was, heeft ze meegemaakt.
En misschien is dat wel de essentie van rock-‘n-roll: je kunt de versterkers, de gitaren en het licht perfect voorbereiden, maar zodra je het podium opstapt, geef je een klein stukje controle uit handen. Soms levert dat een fantastisch optreden op. Soms een gebroken snaar. En heel soms een rondvliegende Marshall-top.
Maar een goed verhaal heb je in ieder geval.
